Een stad in de grond door Herman Rosenberg Zwevende loopbruggen, garages zonder kolommen, perrons met een parketvloer - het Haagse Souterrain is allesbehalve zomaar een tunnel. De brille en de branie van Rem Koolhaas.
De aarde opent zich op de Grote Markt. Althans, zo lijkt het. Aan de oostelijke zijde komt het wegdek omhoog. In de grond is een gestileerde scheur aangebracht. Het glazen oog vormt de toegang tot het ondergrondse tramstation Grote Markt. Het is de enige plek waar het Souterrain bovenkomt, als deze zichtbaar wordt als de rug van een walvis in de golven. Geen gat met een trap dus, of een huisje met een lift, maar een speels en theatraal gebaar. Elders langs het 1250 meter lange tracé van de tunnel zijn ze er wel, dat soort ‘gewone’ oplossingen. Maar hier, op de Grote Markt, een open plek in de oude stad, grepen Rem Koolhaas en zijn medewerkers van het Office for Metropolitan Architecture (OMA) hun kans. De oplossing - de tunnel iets omhoog en de omgeving iets naar beneden - is typerend voor de brille en de branie die Koolhaas en OMA wereldberoemd hebben gemaakt. Architect Rob Hilz (40) was aanvankelijk bij OMA als projectarchitect met het Souterrain belast. Later stichtte hij een eigen bureau, LAB-DA, en nam hij het project als het ware mee, al is er dan altijd contact met OMA gebleven. We gaan samen de tunnel binnen door de ingang op de Grote Markt. Hilz geeft intussen college over de grondgedachte waaruit het hele bouwwerk is voortgekomen. “Deze opdracht was een echt OMA-project, omdat er iets compleet nieuws aan de stad diende te worden toegevoegd. Wij wilden dat nieuwe ook nieuw benaderen. Het uitgangspunt van de gemeente was dat de trams en de auto’s moesten worden weggestopt. Maar die visie hebben we verworpen. Het verkeer hoort bij een stad, is onderdeel van het stedelijk leven en van de stedelijke economie. Daarom zeiden wij: we willen af van het idee van een ‘onderwereld’ en een ‘bovenwereld’. Wij willen een gelaagde stad; geen tunnel, maar een gebouw in de grond, een tweede stadsniveau. Het is een ruggengraat die vervoer en winkels met elkaar verbindt.” We lopen door de langgerekte ruimte van de parkeergarage. Het is er hoog en licht. Geen kolom te bekennen, dus ideaal voor de minder handige bestuurder. Strak is het beton van de vloeren, glad dat van het lichtgebogen dak. Maar ruw en ongenaakbaar manifesteren zich de wanden. Het beton is hier onafgewerkt gelaten, wat een soort natuurlijk effect geeft. Het lijkt alsof de machtige ruimte in rotsige bodem is uitgehouwen. Dat is natuurlijk niet zo, want wat we zien is het gestorte beton van de massieve diepwanden, die de hele constructie dragen. Grijstinten en bleek geel licht bepalen hier de sfeer. Hilz: “Je denkt misschien: wat saai. Maar dat is de bedoeling. De auto’s geven straks kleur aan het geheel. Als wij een fraai kleurschema hadden ontworpen, zou dat over tien jaar toch weer verouderd zijn.” Ergens ter hoogte van Peek & Cloppenburg worden de rijen parkeerplaatsen onderbroken door een rotonde. Nu nog een kale, zwarte bak, maar straks een bamboebos. Een ondergronds plantsoen, dat de ruimte structureert en de rotonde markeert. Erboven sterkt zich een hemel van tl-buizen uit, waarmee het daglicht wordt nagebootst. Een noodzakelijke voorziening - anders groeit de bamboe niet - met de kwaliteit van een lichtsculptuur. Glimmende linten Even verderop doemt het Station Spui op, een gebied waar alles samenkomt. Terwijl het geheel met zijn vele niveaus een complexe indruk maakt - boven rijden auto’s achter glazen wanden, diep beneden liggen de glimmende linten van de rails, en tussen die beide werelden overal trappen en loopbruggen - is het voor de gebruiker toch meteen duidelijk waar hij moet zijn. Dat komt doordat het bouwwerk transparant is. Wie afdaalt met de roltrappen vanaf het Spui of vanuit de Grote Marktstraat, komt terecht in een voetgangersgebied waar nog een heleboel andere stromen samenkomen, maar het hoofddoel, de trambaan, is in de diepte zichtbaar. Zichtbaar zijn ook de roltrappen die er naar toegaan. Je ziet dus waar je moet zijn. En dan is er opeens weer zo’n OMA-effect. Plotseling dringen zonnestralen tot diep onder de grond door. Beide tramstations zijn ook nog eens zo gebouwd dat er een zekere mate van daglicht kan toetreden. “We hebben bewust gezorgd voor een hoog lichtniveau”, legt Hilz uit. “Soms is er zelfs daglicht. We willen hier geen tunnelsfeer. Dat is van groot belang voor de sociale veiligheid. Veel licht dus en geen donkere hoeken en nissen. Bijna geen kolommen. Veel vloeiende lijnen. En, heel belangrijk, een vermenging van functies. Kijk, hier heb je de ondergrondse ingang van V & D. Aan de andere kant komt in een later stadium een ingang van het nieuwe C & A.” Rob Hilz is trots op het bouwwerk. Dat blijkt niet alleen uit wat hij zegt, maar ook uit zijn lichaamstaal. Kaarsrecht schrijdt hij over de perrons en de nog maagdelijke vloer van de garage, terwijl hij wijst op het hoge niveau van de afwerking. Trappen en vloeren van de voetgangersgebieden zijn bekleed met hardsteen, de perrons zijn belegd met roodbruin hout, wat ze op een scheepsdek doet lijken. En er is veel mat glanzend roestvrij staal toegepast. De materialen contrasteren fraai met het ruwe beton van de wanden. Hilz is tevreden, maar voelt ook een lichte spanning. “Ik ben ontzettend benieuwd hoe het straks gaat functioneren. Maar ik wil ook weten wat de mensen ervan vinden. Ze mogen het mooi of lelijk vinden, afschuwelijk zelfs. Als ze er maar iets van vinden.” |